Een opmerking bij de voorbeeldzin, geen tweede hoofdstuk
Voorbeeldzin
Op de kaart staat een voorbeeldzin. De aantekening ernaast is een briefje in de marge, geen tweede hoofdstuk. Ik heb aantekeningen gemaakt die langer waren dan de zin, en heb de kaart vervolgens weggeveegd omdat het op werk leek. Indexkaartjes blijven luchtig als de aantekening een hint is. „Werkwoord achteraan.“ „ch, niet sch.“ „De prijs van gisteren.“ Meer hoeft er niet op te staan.
DeutschSprechen toont de zin. De aantekening is bedoeld voor die ene plek waar je struikelt. Niet voor de hele grammatica.
Wat er op het kaartje mag staan
Een woord dat je eraan herinnert, niet dat je de les leert. Het deel van de zin dat je in de war brengt. Een klank. Een getal dat je door elkaar haalt. Als je de regel al correct in de zin kunt zeggen, heb je de aantekening niet nodig. Wis hem zodra hij er alleen nog maar staat. Anders lees je de notitie en zeg je de zin niet. De voorbeeldzin is de oefening. De notitie is het ezelsbruggetje, en bruggetjes breek je af als je de weg onder de knie hebt.
Eigen kaartjes: eerst de zin, hardop, dan de notitie, indien nodig. Niet andersom. Wie met de uitleg begint, heeft aan het eind een uitleg en geen mond meer.
Wat ik er niet meer op schrijf
De vertaling nog een keer. Die staat al op de kaart, in de taal die je daarvoor hebt gekozen. Drie synoniemen. Een link naar een hoofdstuk. Een verontschuldiging. Kaartjes met aantekeningen voor opstellen worden documenten. Documenten herhaalt niemand in de SRS-interval. „Nog een keer“ of „ik ken het“ wordt dan een leesoefening. „Ik ken het“ geldt pas als de zin uit je hoofd komt, niet als je de aantekening hebt begrepen.
Onzichtbaar blijven in de stapel
De aantekening mag tijdens het herhalen even opflitsen. Ze mag niet de inhoud zijn. Als je merkt dat je alleen de aantekening leest, bedek haar dan de volgende keer en zeg de voorbeeldzin zonder haar. Lukt dat niet, dan is de kaart nog niet bekend. Terug naar de interval. Eén dag, drie, zeven. Pas archiveren als je de zin zonder notitie uit je hoofd kent.
Acht kaartjes ’s avonds, waarvan twee hardop en zonder naar het briefje te kijken. De andere mogen de aanwijzing hebben. Zo blijft de notitie een hulpmiddel en wordt het geen steunpilaar voor de hele stapel.
Zo hangen zinnen samen met woorden: Woord toevoegen. Waarom de zin luider is dan de lijst: hardop oefenen.
Eén regel
Voorbeeldzin van normale lengte, die je zou uitspreken. Notitie van drie, vier woorden, of helemaal geen. Flashcards die er zo uitzien, veeg je niet weg uit vermoeidheid. Je spreekt ze uit. Dat is het enige doel van het briefje in de marge: dat het op een gegeven moment ontbreekt en de zin er toch nog is.
Als de notitie langer is dan de zin, schrap hem dan tot één woord. Vandaag nog, niet ‘ooit’. ‘Omdat achteraan.’ Dat is genoeg. De rest kun je in de Kılavuz nalezen als je de vorm echt niet meer weet. De uitleg hoort niet thuis op het kaartje. Ik heb kaarten gehad waarvan de aantekening een halve dialoog was. Die heb ik nooit uitgesproken. Ik heb ze gelezen en er vervolgens weer overheen geveegd, uit een slecht geweten. Een slecht geweten is geen afstand. Sinds de aantekening kort is, zeg ik eerst de voorbeeldzin en kijk ik alleen of de klank afwijkt. Eén blik, één woord, nog een keer hardop. Dan de volgende kaart. Acht stuks. Twee zonder enige aantekening, als proef. Als die twee kloppen, was het briefje aan de rand heel klein. Als ze niet kloppen, blijft de kaart in de stapel. De aantekening wordt niet langer. De zin wordt korter, totdat hij eruit komt. Drie woorden in de marge, of geen. De voorbeeldzin draagt de avond. De aantekening mag ontbreken. De zin niet.
DeutschSprechen geeft de voorbeeldzin de ruimte. De aantekening blijft in de marge, kort, en op een gegeven moment verdwijnt ze. De zin blijft.